December en familietradities
Oei, die spannende tijd....
Het huis zinderde in December van leuke spanning. Althans zo ervoer ik het als kleuter die nog niet naar de fröbelschool kon. Eerst was er Sinterklaas, een wonderlijk feest van verrassingen en giften. Mensen die door schoorstenen zakten als ik sliep en schoenen met een wortel naast de warme potkachel. Nooit zag ik de man in het rode pak op zijn schimmel over het dak galopperen, maar mijn ouders zeiden dat het kon dus was het natuurlijk waar.
Mijn moeder, coupeuse, had al weken voor de Kerst tot ver na mijn bedtijd zitten naaien aan de nieuwe japonnen voor haar klanten. Er werd gespaard, er kwamen veel klanten aan huis.
’s Zaterdagmiddags - men werkte nog tot in de middag- kwam mijn vader met zijn ‘salaris’ thuis en legde met een trots gezicht het doorzichtige knisperende loonzakje op de eettafel. Hier gebeurde iets ‘belangrijks' want er hing een wolk van respect om dat moment.
Dubbeltjes, stuivers, zelfs guldens, maar ook het papieren geld schemerde door het zakje heen.
Na het avondeten kwam het emaille Brabantiegeldkistje op tafel. Met de zeven gleuven erin voor de huur, verzekering, stookkosten, huishouding, kleding, vakantie en diversen. Ik begreep daardoor wat geld was: zat er in het diversenvakje weinig geld dan kwam er die week geen koek in huis en af en toe moest de man van de verzekering ook wachten op zijn wekelijkse dubbeltje.
Ieder had zijn taak
In de week voor Kerstmis werd de spanning steeds hoger opgedreven door alle voorbereidingen. Het vakje diversen was veel meer gevuld dan gewoonlijk, mijn moeders klanten betaalden uiteraard contant en vertrokken altijd blij en dankbaar.

Meestal kocht mijn vader met mijn ‘grote' broer de boom en ma haalde ongebruikelijk ‘luxe’ dingen in huis. Van de markt want daar was je gulden een daalder waard en de ‘gewone man’ ging niet naar de delicatessenwinkel om zich met een boodschappenkar - die bestonden niet eens – een karrenvracht luxueuze lekkernijen aan te schaffen. We, ik mocht meehelpen, maakten op overgebleven schoteltjes tafelstukjes van de afgezaagde kersttakken met middenin een kaars, nepkersen en kunstpaddestoeltjes. Ooit was er een jaar dat er wel twaalf stuks door de keuken geurden. Hoe fééstelijk. Ze werden naar familie gebracht, aan de schooljuf en buren weggegeven als we hen een Zalig Kerstfeest gingen wensen.

Voorbereidingen
Ma was na de ongewone inkopen de dag ervoor al in touw, waarbij ik met de neus vooraan meekeek want het laatste restje van de zojuist gekookte custardvla mocht ik uit de pan likken. Spelenderwijs stak ik er veel van op. De vette soepkip, die mijn vader met de veren en de slap hangende dode kop er nog aan, bij de boer op de kop had getikt werd uitgepakt. Samen met een zak eieren, die stuk voor stuk in oude kranten waren verpakt. Hij had ze heel voorzichtig op de bagagedrager van brommer vervoerd, maar er waren altijd wel een paar gebutste exemplaren bij, waarover ma mopperde. Het beest werd geplukt en de ingewanden verwijderd. Hartje, nieren en leverom in de soep mee te koken. De niet gelegde eieren kon je aan de eierstok nog tellen. Door de keuken geurde de kippenbouillon als ze de dure groente sneed, wel twee soorten. Later sputterde de braadkip in de gietijzeren pan. Jaren nadien kwam er ook wel eens een rollade. Als de voorbereidingen voor het eten van de volgende dag klaar waren keek ik toe hoe ze haar beste feestschort met stijfsel streek, de kleding voor man en kinderen op orde bracht en aan de kast klaar hing.
Eerste Kerstdag
Bij de koffie met appelpunt(je) droeg ik mijn paasbeste nieuwe jurk, lange katoenen opengewerkte kniekousen en soms zelfs nieuwe schoenen als eindelijk de echte kaarsjes werden aangestoken. Dat alles maakte het voor een vierjarige de fijne, spannend en bijzondere, nooit te vergeten, mijlpaal van het oude jaar. Wie zou dat niet aan zijn kinderen door willen geven?
Meestal stond ik rond half twaalf ’s morgen, dik ingepakt, op straat, te wachten op mijn geliefde gehandicapte oom, die muziekleraar was en rieten manden maakte. Mijn hart maakte een vreugde sprongetje zodra hij met de hand aangedreven driewieler de steile straat op worstelde. Altijd kreeg hij veel bekijks van de buurtkinderen. Hij strompelde met zijn stokken door de poort naar de achteringang want die zes treden in het portiek bij de voordeur waren een brug te ver. Opoe, moeder van vaders kant waar mijn oom bij inwoonde, kwam later met de trolley. In haar feestjurk, want mijn moeder maakte er twee voor haar per jaar. Zwart met bloemetjes en een fragiel kanten kraagje.

Soms zat de woonkamer voor en na het diner vol met ooms en tantes die van ver waren gekomen. Aan een citroentje met suiker, of een jonge genever. Voor de dames iets van bessen of een piepklein glaasje met dito miniscuul lepeltje in de 'Boeren Jongens' (met rozijnen). Men kwam met de trein, want een auto was voor ‘rijke stinkers’.
Toen de welvaart aan de deur klopte en met man en macht zijn verleidelijke zaken deed werd het eten luxer, de kaarsen duurder en regelmatig kwam er tam konijn op tafel. Of mijn broer lardeerde één of ander beest met repen vetspek opdat het niet uit zou drogen.