Cultuur wordt mond op mond doorgegeven. (Over December)

23-12-2011 20:40

Tradities, ik raakte er vreselijk aan gehecht. Gezellig met de hele familie, ooms en tantes om de tafel, toen nog met asbakken en koffiekopjes op het pluche.

Aan de lippen van de ‘groten’ hangen om de heldenverhalen. Over hoe zij jong waren geweest, over hun jonge jaren, hoe ze hun man/vrouw hadden veroverd en wat ze allemaal hadden gedurfd. Oorlogsavonturen, want de bezetting en bevrijding lag nog zo vers in hun geheugen. De glimlichtjes in mijn vaders ogen als hij met zijn oudste broer vertelde over die barre tocht door de uiterwaarden met dat halve varken aan een stok tussen hen in en hoe ze de Duitsers met hun kerstmaal in wording wisten te omzeilen.

 

De Kerstboom.

Als die in huis kwam betekende dat de aanvang van een heerlijke tijd. De geur van hars en opgewonden spanning. Voor een kind van vier is het een wonder als de ‘kerstdozen’ open gaan om alle zilveren ballen plus die kostbare piek opnieuw te ontdekken. De Indiaan van mijn broer, mijn glasgeblazen huisje, de glitterende ballen met de deuk erin die kleurtjes hadden. Er waren vogels met glimmende staarten die je op een tak kon knijpen. Ze leken rechtstreeks uit de volière te zijn gevlogen. Engelenhaar, slingers. Echte kaarsjes erin die nog lang niet werden aangestoken. Onder de takken werd de Kerststal ingericht. Mijn ‘grote broer’ deed de stal, jaar hetzelfde liedje. Daar lag Jozef alweer onthoofd tussen het zachte papier en ging mijn vader met Velpon in de weer. Zijn nek werd telkens een tikje langer. Ik mocht de schaapjes een plaats geven. Op eerste Kerstdag kwam de zinken emmer met zand onder de tafel te staan om de brand te blussen, voor het geval dat de boel in de hens zou vliegen.

 

Om nooit te vergeten.

Midden in de nacht als kind van vier uit bed mogen om in mijn beste jurk, die mijn moeder had genaaid, mee te mogen. Door de pikdonkere nacht, soms tot aan de enkels wegzakken in de sneeuw. Het hek doorlopen, samen met al die andere mensen en het orgel al horen, weten dat het daarbinnen raar gaat ruiken als die aangeklede man met zijn hofhouding met de afwasborstel langskwam om iedereen nat te spatten. Dat fantastische gezwaai met dat gouden versierde waar rook uit kwam. Sommigen vielen ervan flauw, zakten wit weggetrokken op de grond en ik vond het zielig voor hen dat ze dan zoveel misten.

Samen zingen. Samen koukleumen in de kerk en me rot lachen om dat hoedje met dat trillende pauwenveertje, drie banken verderop. Een heel volk dat op zijn paasbest zingt en iets met kaarsen doet. Geluk ten top, voor mij, zo gezegend en gezamenlijk en straks, na de nachtmis kwamen we thuis, mijn moeder, broer en ik. Pa - hij was ‘niets’ qua geloof - zou de tafel hebben gedekt, de verse koffie zou ons je bij de voordeur al tegemoet geuren. Dat was iets om je halverwege de mis al op te verheugen. Tot op het bot verkleumd snel de dassen, wanten en jassen uit om in de kamer de kaarsen te bewonderen, aan tafel schuiven in een warm opgestookt huis. Het mica in de deurtjes van ronde kolenkachel, die mijn moeder voor het feest onder handen had genomen met zwarte kachelpoets, stond roodgloeiend. Feestelijk. Een zacht gekookt eitje in de dop en zelfs nog één ernaast! De met poedersuiker bestoven kerststol, waarvan ik het mierzoete zachte goedje in het midden over de hele snee uitsmeerde Veel te zoet om in één keer op te eten. Echte boter, in plaats van de gebruikelijke Bleu-Band.

Het was allemaal houvast, ieder jaar hetzelfde ritueel en het voelde veilig, vertrouwd. Ik zou dat later zeker ook zo doen met mijn gezin. Kerst was zo’n bijzondere mijlpaal in het jaar, die mijn jeugd veilig maakte. Ik kan me niet voorstellen dat iemand zoiets dergelijks, de warmte en saamhorigheid, kan vergeten. Cultuur wordt mond op mond doorgegeven en kinderen krijgen er vaste ankerpunten door.